Er was eens een Eileuver die vloog voor ’t carnaval eens om de stad. Daar kwam zij (ja het was een zij) een Oelewapper (en dat was een hij) tegen die statig de zwierende feestgangers in de stad mede zat te aanschouwen. 

De Eileuver streek neer op het grasveldje bij de eik en keek de uil aan. 

“He”, sprak de uil met donkere stem, “vindt jij dat nou ook zo leuk om weer eens in de stoet der dolle dwazen te paraderen?” “Dat is heel er leuk”, antwoordde de Eileuver. “Zou het wat zijn om dat samen eens te starten”, sprak de uil wijs. “Laten we het niet te gek maken, je zou eens wat tussen al die Eileuvers en Oelewappers op gang kunnen brengen”, sprak de Eileuver. “Daar gaat het nu juist om”, baste de oelewapper: “Carnaval is je verbonden met elkaar voelen en daarom is het, het proberen waard. “

En zo ging de Eileuver op zoek naar enthousiaste familieleden en vrienden. De Oelewapper deed hetzelfde. Evenzo alras werd familie en vrienden enthousiast gevonden. Daarom moest er wel een thema verzonnen worden, want los door de stoet trekken, nee daar waren ze niet van, dat moest toch maar eens in de stoet der dolle dwazen gebeuren. 

Zo’n thema vinden kon je aan zo’n oude uil wel overlaten. 

Samen met zijn broeder trokken zij speurend door de straten en doken in de archieven. Daar vond die oude Oelewapper uit een vorig leven een geheel van paletten en kwasten. Wat zou er niet leuker zijn dan wat kleur te brengen in dat bleke Sassendonk. Voorzien van kleurige hemden en een baret transformeren zij, op deze wijze, tot kunstenaars. Niet zo maar kunstenaars nee Picasso, Rembrandt en Dali, tot aan de plaatselijke Brood en ten Oever werden zij. En op gingen ze met z’n allen en kleurden ieder in de stad een rode neus, zodat alle Sassendonkers versierd werden.

Nadat de feestneuzen met elkaar verder de bonte stoet der dolle dwazen volgden, werd nagedacht over een naam. En jawel hoor. Even wat verf tegen het doek en er met de kinderwagen van Willem over gereden, een lach en een traan op geplengd en we kregen een voorstelling waar de schreeuw van Munch bij verbleekte.

En uit de schildering van de Eileuver, Oelewapper en een mix van vrije Sassendonkers werd een vrolijk schele wurm met wel een hele grote neus op het doek gekunsteld. Een bijzonder wurm, want verkleedpartijen waren hem niet vreemd. Zo zou hij in de toekomst nog een bloemenman worden, ging hij als Aladdin door de straten en studeerde hij door tot dokter Rossi. Uiteindelijk zou hij jaren in de vroege middeleeuwen blijven hangen als Tempelier. Dat was ook niet zo vreemd, want tenslotte moest het wurm met de fles nog flink groeien.

Opgetogen en blijmoedig noemden ze hun creatie “Friemel”

En zo startte in 2005 een carnavalsgroep die we nu kennen als C.G. De Friemels

Met dank aan Diana van Voorst 

 

Fokke van Dalen